Nederland dagboek 20160315

Boomwortel 

Na een jaar in het tropische klimaat van Suriname, moet ik in Nederland mijn leven weer een herstart geven. Voordat ik naar Suriname vertrok, bestede ik drie dagdelen per week aan hardlopen. Drie trainingen per week en een paar keer per jaar een deelname aan een wedstrijd. Ondanks dat ik mijn loopschoenen in de bagage meegenomen had, is het niet gelukt om daar in Paramaribo te gaan lopen. Niet vanwege het warme klimaat, maar de verkeerssituatie maakt dat het te gevaarlijke en te hinderlijk is om langs de drukke asfaltwegen te gaan lopen.

Terug in Nederland besluit ik dat ik de loopsport weer moet oppakken en ik meld me weer aan als actief lid bij de atletiekvereniging. Voordat ik weer op de eerste training kom is het misschien toch verstandig om eerst maar weer een paar rondjes in het bos te gaan lopen om de conditie te testen.  Die eerste kilometers over het Cooperpad rondje in het bos van Heumensoord vallen niet mee. De eerste keer is het nog maar een paar graden boven nul en de koude lucht geeft mij pijn in de borst. De tweede keer trek ik nog een extra kledinglaag er bij aan en het gaat iets beter. Op de eerstvolgende dinsdagavond ga ik langs bij de atletiekvereniging om me eerst maar weer aanwezig te melden bij de trainer. Die eerste keer laat ik de loopschoenen nog even thuis en ik kom alleen maar eens kijken of alles nog het zelfde is. En ja, alles is nog als vroeger. Nog de zelfde tijden, nog steeds vertrek voor het inlooprondje om kwart over zeven. Ik zie vele bekende gezichten van een jaar geleden. Iedereen schudt mij de hand en heet mij opnieuw welkom. Het doet mij goed om weer aanwezig te zijn op de vertrouwde 400m baan en het geeft mij nieuwe mentale energie. Aan de fysieke energie zal nog flink gewerkt moeten worden. Met de trainer spreek ik af dat ik voortaan weer op de trainingen zal komen, te beginnen met de bostraining van zondagmorgen.

Die eerste zondagmorgen is een prachtige zonnige dag, wel fris en handschoenen zijn echt nodig. Het groepje deelnemers aan deze zondagmorgentraining is niet al te groot en de meeste ken ik wel. Bij het inlopen naar het bos krijg ik vragen als: ‘hoe was het in Suriname’. Men denkt dat  ik daar op vakantie was. Bij die eerste kilometers merk ik toch al dat er nog hard aan de conditie gewerkt moet worden en ik stel het antwoord op die vragen even uit. Het warming-up programma op de bekende plek in het bos, bij de zandkuil, is als vanouds en kost nog weinig moeite. In overleg met de trainer wil ik langzaam opbouwen en daarom doe ik een beperkter programma. Die eerste rondjes van 400 meter om de zandkuil heen gaan wel redelijk. Dan komen de langere rondjes. Eerst een lange ronde van een paar kilometer dieper het bos in en dan langs een ander pad terug naar de zandkuil. Ik begin in mijn eigen tempo. De snelle jonge jongens nemen de kopgroep. Een pad dat een jaar geleden nog een onverhard zandpad was, blijkt nu geasfalteerd. Die weg loopt naar het opvangcentrum voor de asielzoekers waar ik in de media over gelezen heb. Als ik de contouren van een tentenkamp en de omringende hekken zie, gaat de route naar rechts. Nog een keer rechts en dan rest er nog een lange rechte weg naar het beginpunt bij de zandkuil. Het is een zandweg met hier en daar een paar restanten van straatklinkers en soms een boomwortel. De bovenste zandlaag is verdwenen omdat het pad populair is bij wandelaars, hardlopers en mountainbikers. Daar nadert een groepje fietsers en in een moment richt ik mijn aandacht even niet op het pad. Opeens is er iets wat mij tegenhoudt en ik voel dat ik ga vallen. Zonder dat ik er nog iets aan kan doen, leg ik opeens plat op het pad met de handen gestrekt vooruit. De mountainbikers passeren net op dit moment. “Gaat het?”, vraagt iemand. Ik voel geen directe pijnen en ik sta op. Langzaam versnel ik weer naar looptempo, het gaat zonder pijn. Als ik een paar honderd meter verder ben, is mijn aandacht weer een tel afgeleid, omdat er weer een groepje mountainbikers nadert. Weer let ik even niet op en blijf met mijn linkervoet haken achter een boomwortel. Weer leg ik plat op het zand en mijn handen haal ik niet open dankzij mijn handschoenen. Ook deze mountainbikers vragen: “gaat het?”. Nu antwoord ik iets minder enthousiast: “ja het gaat”. De laatste paar honderd meter besluit ik maar te wandelen naar het beginpunt. Nergens heb ik overmatig pijn, alleen in mijn linkervoet voel ik wel iets. Ik vraag met af hoe ik zo onhandig kan zijn om tot twee keer toe op het zelfde pad te vallen. Voor vandaag stop ik verder met de training en ik loop rustig terug naar het clubhuis waar mijn auto geparkeerd staat. Gaandeweg krijg ik steeds meer pijn in mijn voet. Als ik bijna bij de auto ben is het meer strompelen dan wandelen. Ik troost mij met de gedachte dat ik dit al een paar keer eerder gehad heb en dat het vanzelf weer over gaat.

Thuis leg ik een ijszak op mijn voet die op begint te zwellen. Ik denk niet dat er iets gebroken is. Van gewoon lopen is geen sprake meer en het is strompelen ook in huis. Later die dag moet ik nog weg met de auto en het gebruik van de koppeling is pijnlijk. Iedereen die mij de komende dagen ziet lopen, vraagt wat er met mij gebeurd is en ik vertel over die boomwortel. “Moest je niet vloeken” , vraagt er iemand. Nee, dat nou juist niet. In de afgelopen jaren heb ik geleerd mij te beheersen en niet meer boos te worden op iets waar je niets aan kunt doen. Dat heb ik ondertussen in Suriname wel geleerd.


<< vorige                                                                                                                     volgende >>

Comments are closed